Het Magnificat als bijbeltekst

De tekst van het Magnificat is geheel terug te vinden in het evangelie volgens Lucas, 1:46-55. Het is in het Nederlands bekend als de Lofzang van Maria.
De naam Magnificat dankt het lied aan de eerste woorden in de Latijnse versie van de tekst, ‘Magnificat anima mea Dominum’, wat betekent '(mijn ziel) verheerlijkt de Heer'. De auteur van het derde evangelie beschrijft hoe Maria bij haar bezoek aan haar nicht Elisabeth de tekst uitspreekt als de beide zwangere vrouwen elkaar volgens het verhaal ontmoeten. Tijdens deze ontmoeting spreekt eerst Elisabeth die andere bekende tekst uit: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade, gij zijt de gezegende onder de vrouwen’.
In de wereld van de klassieke muziek kennen we ook deze tekst maar al te goed, ook onder de Latijnse naam, namelijk Ave Maria. Maria antwoord dan met haar lofzang op God. Het Magnificat is dus het antwoord op het Ave Maria. Beide teksten verwierven in de loop der eeuwen de status van gebed.
De zeggingskracht van dit antwoord van Maria, van deze jubelzang over de rechtvaardigheid van God, is overweldigend. Maar het staat niet op zichzelf. In de tekst klinkt een duidelijke echo van een soortgelijke lofzang uit het Oude Testament. Het gaat om de lofzang van Hanna, de moeder van de profeet Samuel en is opgenomen in het boek Samuel.

De plaats van het Magnificat in de liturgie

Het Magnificat is niet zomaar een lied, het maakte vele eeuwen lang - en ook nu nog - deel uit van de formele liturgie. Het is opgenomen in het Brevier of getijdengebed van de Katholieke Kerk, namelijk in de Vespers. Het Magnificat wordt ook gebruikt in het Book of Common Prayer van de Anglicaanse Kerk. Daar is het door talrijke componisten getoonzet en ontbreekt het (in het Engels) nooit in de Evensong. De status ervan valt ook af te lezen uit het gegeven dat ook Bach als eerste grote koorwerk na zijn aanstelling in Leipzig een Magnificat componeerde.
Het lied werd in de katholieke eredienst graag en frequent gezongen maar lange tijd vooral in het gregoriaans. Dat gebeurde niet zozeer in de mis, maar tijdens gebedsdiensten in de vroege avond, de Vespers (kloosters ) of tijdens het Lof. Het Lof is de benaming voor een katholieke gebedsdienst met zang, meestal gehouden in de middag. De gewoonte om lof te houden dateert uit de 13de eeuw en werd wijd verspreid in de 15de en 16de eeuw op zondagen en kerkelijke feestdagen. Het Magnificat wordt daarnaast ook gezongen op bijzondere momenten in het kerkelijk jaar. Met name in de advent, de tijd voor Kerstmis. In de tijd na het tweede Vaticaans Concilie ook wel de tijd van de Tweede Beeldenstorm genoemd, na 1965 in de tweede helft van de 20ste eeuw nam de gewoonte op vele plaatsen af of verdween het Lof geheel uit de parochiekerken. En daarmee het Magnificat.
Het Magnificat wordt daarna wel gebruikt en in verband gebracht met de bevrijdingstheologie die in de jaren ‘70 ontstond en politiek van karakter was. De verzen 51-54 waren hierbij van centrale betekenis:

51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen.

52 Heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.

53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.

54 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd.

De taal van het MagnificatHet volkslatijn, de taal van het Magnificat, was vanaf de eerste eeuwen de internationale taal van de kerk. Vanzelfsprekend was zo’n belangrijk lied als het Magnificat dan ook in het Latijn. Het kerklatijn was tot 1965 de taal van de liturgie maar verloor sindsdien die status. De liturgie kan nu ook gevierd worden in de volkstaal, wat bijna overal de regel is geworden.
Rutter volgt in zijn Magnificat nauwgezet de formele Latijnse versie. Echter hij eindigt met een Gloria Patri et filio. Deze tekst komt niet uit het Lucasevangelie, maar is een formele eindfrase die in veel liederen en gebeden wordt gebruikt.
Rutter voegt daarnaast wel iets bijzonders in, namelijk het engelstalige middeleeuwse lied over de roos. Hier zien we opeens een uitstapje naar de volksdevotie rond de moeder van Jezus, Maria, ook wel bekend als de Heilige Maagd of Onze Lieve Vrouw.

Maria als de mystieke roos

In de Rooms-Katholieke kerk en Oosters-Orthodoxe kerk had/heeft Maria als Moeder van God een belangrijke rol in het geloofsleven. Verschillende liturgische feesten en hoogfeesten worden ter ere van haar gevierd. Bij kerkelijke huwelijken was het lang vanzelfsprekend dat de bruid voor het verlaten van de kerk een ‘onderonsje’ met haar had bij het speciale Maria-altaar.
In de volksdevotie is de praktijk meestal dat Maria als 'toegankelijker' beschouwd wordt dan Jezus en meer aangeroepen wordt, zij het dan als 'voorspreekster'. Vele gelovigen bidden tot Maria om haar te vragen om voorspraak. Dat wil zeggen dat men vraagt of Maria voor hen wil bidden. Geliefde gebeden zijn het Weesgegroet en de rozenkrans. In de wereld zijn veel plaatsen waar uitdrukking wordt gegeven aan deze Mariadevotie. We noemen Lourdes in Frankrijk , Fatima in Portugal en Kevelaer in Duitsland vlak over de Limburgse grens. In Nederland is Scherpenheuvel bekend.
Maria wordt ook wel genoemd ‘de mystieke roos’. Een roos heeft veel symbolische betekenissen, maar bij christenen herinnert zij aan het paradijs. Rode rozen betekenen liefde, naastenliefde; de witte roos verzinnebeeldt onschuld, reinheid en kuisheid; op kerstvoorstellingen bloeien er rozen in de winter die duiden op Maria als Koningin des Hemels.
Op oude schilderijen wordt Maria vaak afgebeeld tussen rozen. En de gebedsketting met de vijftig kralen waarbij bij iedere kraal een Weesgegroet wordt gebeden, noemen we rozenkrans.
Een bekend Nederlands kerstlied is Er is een roos ontsprongen. Het lied gaat over de geboorte van Jezus. Maria is daarin de rozenstruik die onverwacht in bloei is komen te staan.

Er is een roos ontsprongen

uit ene wortelstam.

Nu heeft zij bloem gebracht

in ’t midden van de winter,

in ’t midden van de nacht.

 

Mirjam Groenendijk